De prins peuterde zich in zijn prinsenpyama, echt fris rook deze echter niet meer. Hij begon zich af te vragen hoe lang het al geleden is datde kasteelbewoners het kasteel hebben verlaten. Een gevoel van somber- en eenzaamheid overmandde hem een beetje. Wat zou er gebeurt kunnen zijn? Het begon ook tot hem door te dringen dat hij op de weg naar zijn kasteel maar weinig of geen mensen was tegengekomen. Vroeger was de vallei waar zijn kasteel stond gezellig druk bevolkt met allemaal vrolijk hardwerkende mensen, die weer veel spelende en opgroeiende kinderen hadden. Er was van alles te doen. Nu was alles stil, de vallei zo goed als verlaten, hier en daar scharrelde er nog een verlaten hond bij de laatste restjes afval wat is achtergelaten. Het was donker, nat en koud deze nacht. De prins besloot toch maar even zijn smerig stinkende riddersokken met afbladderende gouden randjes aan te doen, hij heeft wat te lang getreuzeld met het aantrekken van zijn pyama en koude voeten gekregen van de tegels in zijn slaapkamer. Hij zette de melk en zijn chocolade koekjes op zijn kastje naast zijn bed en kroop vervolgens onder de wol. Het was nu al heel laat, door het oude en bobbelige glas van zijn slaapkamerraam zag hij dat, de ochtendschemering al over de hoge heuvels rond de vallei het mistig, koud en natte dal in begon te schijnen. Zijn ogen werden hem te zwaar, de prins gaf zich gewonnen en viel weldra in diepe slaap.

